Het fluwijn. Het is een oude benaming voor een roofdier dat we aantroffen op Recreatiepark de Lork. Genoemd naar het oud-franse woord voor beuk (fau) was zij in wezen eerst de ‘beukmarter’. Omdat het dier, anders dan de boommarter de voorkeur geeft aan een rotsachtige omgeving, wat in ons land te vinden is in bebouwing, kreeg zij uiteindelijk de naam steenmarter.
De steenmarter is een opportunist die zo’n beetje alles rooft wat er beschikbaar is op dat moment: eieren, jonge vogels, ratten en muizen, maar ook net zo lief insecten, wormen, fruit en bessen. Vroeger werd deze marterachtige fel bejaagd, omdat het dier schade berokkende aan houders van pluimvee, zoals duiven en kippen en ook tamme konijnen werden gegrepen. De jacht mag allang niet meer; de steenmarter is inmiddels een strikt beschermde soort in ons land. Deze bescherming geldt zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Dus ook in de bossen, waar Recreatiepark de Lork ligt, tussen twee Natura 2000 gebieden in (de Oisterwijkse Bossen en Vennen en de Kampina). Die bescherming houdt in dat het dier niet alleen niet gedood mag worden, maar ook niet verstoord. Ook haar leefgebied geniet bescherming; haar jachtgebied en de plekken waar zij zich voortplant en waar zij overdag uitrust zijn beschermd. Op papier.
Op Recreatiepark de Lork gaat de verkaveling inmiddels gewoon door. Zware machines dreunen percelen leeg en plat, Tegels, funderingen en elektriciteitsdraden worden aangevoerd, in- en uitgegraven en bomen die ‘in de weg staan’ worden rücksichtslos gekapt, met het nodige geweld en lawaai. Of bomen slaapbomen zijn voor de steenmarter, of het gebied beschermd dient te worden, of prooidieren van de steenmarter voorgoed verjaagd worden; voor dat alles is geen oog. De modernisering van het Recreatiepark moet door, het grote geld stroomt sneller dan de Rosep en de Esschestroom bij elkaar, tussen twee stiltegebieden dreunt de zware stem van een ander roofdier, dat boogt op zijn inspanningen om het ‘diepe zakkenwezen’ van de Rode Lijst af te krijgen en noemt dát zijn bijdrage aan de biodiversiteit. En in de gemeentelijke archiefkast ligt de Omgevingswet te verstoffen. Ondertussen wel netjes omgezet naar een digitale versie die ook niet gebruikt wordt. Waarom zou je ook? De wereld lijkt helemaal ingericht voor de mens die wel in de natuur wil recreëren, maar niet met diezelfde natuur wil meedenken. Geweren zijn pennen geworden, klemmen werden privaatkwesties. Het grootste roofdier bepaalt en dat is de steenmarter allang niet meer. Zij is een weg te jagen plaag geworden, die heerlijke zolders van houten chalets verruild ziet worden met onneembare kunststof vestingen, waarbinnen de nieuwe ‘natuurmens’ zit te genieten van de plastic rozen op het aanrecht naast de Quookerkraan. Op de oprit staat de SUV met stroomstootplaatjes in de motorruimte om het vehikel steenmarterproof te maken.
Buiten trippelt het fluwijn langs kuilen en kaalheid. Een blikje vis, opgehangen om het dier te verlokken om voor de cameralens te verschijnen, heeft prijs. Het sierlijke dier poseert even, richt zich op als de kroonprins van lange vervlogen dynastieën en verdwijnt dan in de Oisterwijkse nacht.
Edoch, er zijn mensen die dromen. Die vasthouden aan waarden, natuurwaarden maar ook eigenwaarde. Men kan zich geen natuurmens noemen door slechts de natuur naar de eigen hand te zetten en het ego ongemoeid te laten of nog erger: op een voetstuk te plaatsen.
Het was vorig jaar een zogeheten mastjaar, een jaar waarin notenbomen en eiken meer dan gemiddeld vrucht dragen. De steenmarter heeft geen moeite om zijn buikje te vullen, beukennootjes in overvloed. Helaas zijn er ook meer eikels dan gewoonlijk. Eikels die wortel schieten daar, waar leemtes ontstaan. Of beter: daar waar zij leemtes laten ontstaan. Helemaal roofdierproof worden we nooit of de Omgevingswet moet zich ooit daadwerkelijk gaan inzetten voor datgene waaraan zij haar bestaansrecht ontleent: de natuurlijke omgeving. Wanneer is het té laat?
Reactie plaatsen
Reacties